Sal is het eiland waar de meeste Nederlanders landen en waar een groot deel van hen ook blijft. Dat is niet zo gek: de resorts liggen er aan een van de mooiste stranden van de eilandengroep en het vliegveld is een kwartier rijden. Wat wel eerlijk gezegd moet worden is dat Sal een kaal eiland is. Het meet ongeveer dertig bij twaalf kilometer, het hoogste punt haalt geen vierhonderd meter en tussen de plaatsen ligt vooral vlakte van steen en zand. De naam zegt het al: sal betekent zout, en eeuwenlang was dat het enige waar het eiland zijn geld mee verdiende. Wie hier komt voor bergen en groen zit op het verkeerde eiland; wie komt voor strand, wind en water zit precies goed.
Sal bezoeken
Santa Maria
Vrijwel alle hotels op Sal staan bij Santa Maria, het vissersdorp aan de zuidpunt dat is uitgegroeid tot het toeristische hart van het eiland. Het strand loopt er kilometers door en het water is er ondiep en warm. Het dorp zelf is klein genoeg om in een uur rond te lopen: een hoofdstraat met restaurants en souvenirwinkels, een paar pleintjes en de oude houten pier waar de vissers aan het eind van de ochtend hun vangst binnenbrengen. Dat laatste is het bekijken waard, want er wordt ter plekke gefileerd en verkocht, met de pelikanen en de zeevogels op een meter afstand. Kom rond een uur of elf. Verderop, buiten het dorp, liggen de grote all-inclusive complexen op een rij langs de kust.
De zoutkrater van Pedra de Lume
Aan de oostkant van het eiland ligt Pedra de Lume, een uitgedoofde vulkaankrater waarin sinds de late achttiende eeuw zout wordt gewonnen. Je loopt er door een tunnel die in de negentiende eeuw dwars door de kraterwand is gehakt en komt dan uit in een komvormig landschap van zoutbassins in roze en wit. Het zout werd vroeger met een kabelbaan naar de haven vervoerd; de masten daarvan staan er nog. Je kunt in de bassins drijven, want het water is zo zout dat je niet kunt zinken, ongeveer zoals in de Dode Zee. Spoel je daarna wel af, en ga er niet in met wondjes of net na het scheren. Dit is het uitstapje dat op vrijwel elke eilandtour staat.
Buracona en het Blauwe Oog
Aan de noordwestkust, voorbij het havenplaatsje Palmeira, ligt Buracona: een ruw stuk lavakust waar de oceaan door gaten in het gesteente omhoog spuit. De trekpleister is het Blauwe Oog, een grot waarin het zeewater door een opening in het dak zo wordt beschenen dat het felblauw oplicht. Dat werkt alleen als de zon hoog staat, dus ga er tussen elf en twee heen en bij voorkeur op een heldere dag; buiten die uren zie je een donker gat. De rotsen zijn scherp en glad tegelijk, dus stevige schoenen zijn geen overbodige luxe, en klim niet dicht bij de rand wanneer de branding hoog staat. Zwemmen kan in het natuurlijke bad ernaast, als de zee rustig is.
Espargos en de rest van het eiland
Espargos in het midden van het eiland is de hoofdplaats en de plek waar de meeste van de veertigduizend inwoners van Sal wonen. Toeristisch valt er weinig te beleven, maar juist daarom is het interessant: het is een gewone Kaapverdische stad met een markt, een paar bars en geen enkele souvenirwinkel. Het vliegveld Amílcar Cabral ligt er pal naast en is het drukste van het land. Verder over het eiland: Palmeira is de haven waar alles binnenkomt wat op Sal wordt gebruikt, Murdeira is een rustige baai met een paar appartementencomplexen, en de rest is vlakte. Wil je die vlakte in, ga dan met een excursie mee en niet zelf met een huurauto.
Wat je op Sal doet
Sal draait om het water. De constante passaat maakt Santa Maria tot een van de betere plekken ter wereld om te leren kitesurfen of windsurfen, met scholen langs het strand en de beste wind tussen december en april. Duiken kan bij de wrakken voor de kust en snorkelen in de baai van Santa Maria. Vanaf de pier vertrekken boottochten en vistochten, en tussen november en mei zwemmen er bultruggen langs de kust. Wie liever op het droge blijft, huurt een quad of gaat mee op een eilandtour langs Pedra de Lume en Buracona. Reken erop dat je voor alles wat buiten je resort ligt een taxi of een tour nodig hebt; lopen is er door de hitte en de afstanden geen optie.
Veelgestelde vragen over Sal
-
Hoe groot is Sal?
Ongeveer dertig bij twaalf kilometer, met een oppervlakte van zo’n tweehonderdtwintig vierkante kilometer. Er wonen ongeveer veertigduizend mensen, waarmee het het derde eiland van Kaapverdië is qua bevolking.
-
Waar komt de naam Sal vandaan?
Van het zout. Sal betekent zout in het Portugees, en eeuwenlang was de zoutwinning in de krater van Pedra de Lume het enige waar het eiland zijn geld mee verdiende.
-
Waar liggen de hotels op Sal?
Vrijwel allemaal bij Santa Maria aan de zuidpunt van het eiland, aan of vlak bij het strand. Het vliegveld ligt bij Espargos in het midden en is ongeveer een kwartier rijden.
-
Kun je in de zoutpannen van Pedra de Lume drijven?
Ja. Het water is zo zout dat je niet kunt zinken, ongeveer als in de Dode Zee. Spoel je daarna af en ga er niet in met wondjes of vlak na het scheren.
-
Wat is het Blauwe Oog?
Een grot in de lavakust bij Buracona waar het zeewater door een opening in het dak wordt beschenen en felblauw oplicht. Dat werkt alleen tussen elf en twee uur op een heldere dag.
-
Is Sal geschikt om te kitesurfen?
Uitstekend. De constante passaat maakt Santa Maria tot een van de betere plekken ter wereld om te leren kitesurfen of windsurfen, met de beste wind tussen december en april en scholen langs het strand.
-
Is er iets te doen buiten de resorts?
Ja, maar je hebt er vervoer voor nodig. Een eilandtour langs Pedra de Lume, Buracona en Espargos is de gebruikelijke manier, of je huurt een quad. Lopen is door de hitte en de afstanden geen optie.
-
Waarom is Sal zo kaal?
De eilanden waren bij de ontdekking begroeid, maar eeuwen van houtkap en loslopend vee hebben de begroeiing weggevreten. Op een eiland waar het maar vier of vijf keer per jaar regent, groeit dat niet terug.